De economie vraagt een ander geloof!

De zware economische crisis die ons land, Europa en de wereld nu al zo ongeveer zeven jaar gevangen houdt is zeker nog niet voorbij. Veel bedrijven maken juist vandaag moeilijke tijden door, nu het vlees inmiddels van de botten is verdwenen. Tegelijkertijd ziet de overheid zich gesteld voor de noodzaak om nog 3 miljard euro extra te gaan bezuinigen. Mensen snakken naar beweging. Er is de hoop dat het politieke akkoord over de bouw gaat helpen. We lijken groei nodig te hebben zoals een fietser vaart nodig heeft. Wat niet vooruitgaat blijft immers niet overeind? Maar is wat waar is op de fiets, ook waar voor de economie?

Weber-these

Onlangs is het boek ‘De protestantse ethiek en de geest van het kapitalisme’ van Max Weber in het Nederlands verschenen. In dit boek, dat oorspronkelijk in 1920 verscheen, ontvouwt Weber zijn gedachten over de relatie tussen calvinisme en kapitalisme. Weber vroeg zich af waarom het economisch leven, zoals dat zich uitte in een levendig kapitalisme, zo tot ontwikkeling was gekomen. Wat is de motor van die voorspoed en welvaart. Hem viel de groeidrift, de accumulatie van geld en het rusteloos vooruitgangsstreven op. Weber ging op zoek naar een verklaring voor wat hij de “geest van het kapitalisme” noemde.

Volgens Weber ligt de wortel van de kapitalistische geest in het oude protestantisme, met haar calvinistische ethiek. Weber vond bij protestanten een aantal bij het kapitalisme passende eigenschappen, zoals de nadruk op hard werken, geld verdienen, zelfdiscipline, en een ernstige, sobere levensstijl. Dat bracht hem tot zijn inmiddels beroemde stelling dat het kapitalisme zijn opkomst aan het calvinisme heeft te danken. Volgens mij is Weber’s stelling onhoudbaar. Zoals ik in mijn boek ‘Eerlijke economie’ (2012) heb laten zien draait het volgens Calvijn in de economie, net als dat trouwens in de Middeleeuwen het geval was, primair om het voldoen aan de necessitas, dat wil zeggen om dat wat nodig is. Was in het nodige voorzien, dan was er genoeg voor een ieder om in de stand waarin hij of zij geroepen was te leven. Men had regelmatig te kampen met gebrek en honger en er was schaarste, maar die kon worden overwonnen. De schaarste kon weliswaar dringend zijn, maar was toch altijd een beperkte schaarste.

Jean Cauvin (Johannes Calvijn)
Jean Cauvin (Johannes Calvijn)

Het is zeker waar dat het Calvinisme een positieve factor is met betrekking tot de ontwikkeling van het economisch leven. Calvijns afschaffing van het aloude renteverbod baande bijvoorbeeld de weg voor het doen van investeringen en de ontwikkeling van een stuk financieel verkeer. Maar de geest van het moderne kapitalisme, waarin het draait om genot, de massa in de ban is van het materialisme, en het bedrijfsleven wordt opgejaagd om eenzijdig de anonieme aandeelhoudersbelangen te plezieren, desnoods ten koste van de werknemer en zelfs van de klant, is vanuit christelijk oogpunt bezien een afvallige geest.

Dubbele secularisatie

Ik denk dat Weber’s andere stelling, zijn zogenaamde secularisatie-these, veel belangrijker is om te begrijpen wat er aan de hand is. Volgens die stelling is het juist de secularisatie die heeft geleid tot de verzelfstandiging van de moderne economie en, niet minder belangrijk, tot een verabsolutering van de schaarste. Daarom is ondanks de hoge welvaart het begrip “genoeg” vandaag verder weg dan ooit. Begeren zit mensen in het bloed en het wordt binnen het kapitalisme ook nog eens via het “zachte geweld” van de reclame opgeschroefd en aangewakkerd.

Begeren zit mensen in het bloed en het wordt binnen het kapitalisme ook nog eens via het “zachte geweld” van de reclame opgeschroefd en aangewakkerd

Er zitten twee kanten aan de secularisatie. De eerste is dat het economische domein zich als het ware heeft losgezongen van de gewone mensenwereld. De economie is tot een eigen sfeer verworden, waar eigen wetten gelden, waarbij het bovendien niet past om er van buitenaf allerlei bezwerende moraalformules op los te laten. Zaken zijn immers zaken? Markten werken volgens deze visie in het algemeen zo perfect dat al te grote hebzucht en inhaligheid vanzelf via het mechanisme van de onderlinge concurrentie automatisch aan banden wordt gelegd. Met de komst van het kapitalisme is de mens in de economie althans eigenlijk niet langer genoodzaakt ook goed te wezen. Het systeem vangt de menselijke defecten geruisloos op, vaak zonder dat ze het zelf door hebben. De financiële crisis heeft echter de zwakke stee in dit verhaal laten zien. Onverantwoord en anti-normatief gedrag heeft inmiddels grote schade aangericht, waarvoor we nog jaren op de blaren moeten zitten. Hans Achterhuis spreekt in dit opzicht terecht van de ideologie van het kapitalisme, waarin de markt een soort heiland is die de samenleving op het pad van deugd en geluk leidt. Een dergelijke (neoliberale) ideologie is uiteindelijk afgodendienst.

De kerk wordt gesloopt!
De kerk wordt gesloopt!

Aan de secularisatie zit nog een andere kant, die niet zo zeer met de rol en de toename van het aantal niet-christenen heeft te maken, maar met wat er met de christenen is gebeurd. Christenen hebben zich vaak kritiekloos en argeloos aangepast aan de dominante economische cultuur. Hen wordt ook vaak verteld dat als je je niet aanpast je het niet zult redden en in het concurrentiegeweld ten onder zult gaan. Het denken over economie is wat dit betreft al net zo verwrongen als het handelen en perkt de speelruimte voor ethisch handelen inderdaad sterk in.

Willem Aalders wijst in een van zijn boeken op het principe van de antholke. Daarmee bedoelt hij wat je het tegenhang-principe zou kunnen noemen. Hij wijst erop hoe belangrijk dat principe in de kerkgeschiedenis telkens weer is geweest. Steeds hebben christenen hun houding bepaald en ze deden dat door juist op het punt waar de belijdenis werd bedreigd zich duidelijk uit te spreken en te profileren. Ons manco is dat we dat principe van de antholke beperken tot de sfeer van kerk en theologie. Het moet toch duidelijk zijn dat ook met de hierboven geschetste neoliberale ideologie van het kapitalisme de godsvraag niet minder in het geding is dan in de klassieke theologische leergeschillen. Wie is er nu de heiland die we zullen volgen? Welke belijdenis wordt op dat punt gevraagd?

Hoeveel is genoeg?

Zoals vader en zoon Skidelsky in hun recente boek ‘How much is enough?’ Laten zien, mist het moderne kapitalisme een visie op het goede leven. Zowel in de Bijbel, als bij de klassieke Griekse filosofen en gedurende de grootste tijd van onze West-Europese geschiedenis was van zo’n kader sprake. Een van de laatste economen die dit nadrukkelijk in zijn denken verwerkte was de Engelse macro-econoom John Maynard Keynes. Hij schreef in 1930, ook een periode van diepe economische crisis, een essay getiteld ‘Economic possibilities for our grandchildren’, waarin hij een perspectief schets voor de economie over 100 jaar vooruit. In dat essay blikt hij vooruit en voorspelt hij dat de mensen na 100 jaar circa 4 tot 8 keer zo rijk zouden zijn als in 1930. Verder verwachte Keynes dat de mensen als ze zo rijk zouden zijn geworden ze er letterlijk genoeg van zouden krijgen. Men zou vrije tijd gaan verkiezen boven nog meer inkomen en consumptie. Keynes’ groeiverwachting kwam redelijk uit, maar hij sloeg de plank mis met betrekking tot het opgeven van het werken en het genoeg hebben aan genoeg.

Onnatuurlijke economie

Dat het toch anders ging heeft te maken met wat zowel de Bijbel als Aristoteles een onnatuurlijke vorm van economie noemen. Van alle goederen waar we naar streven krijgen we vroeger of later genoeg. Ook bij een voortreffelijke maaltijd geldt dat de maag snel gevuld is en genoeg ook echt genoeg is. Maar er is één notoire uitzondering en dat is geld.

De liefde tot geld als doel in zichzelf en waarvan je nooit genoeg kunt hebben, bederft de economie

De liefde tot geld als doel in zichzelf en waarvan je nooit genoeg kunt hebben, bederft de economie. Zoals Jezus in de Bergrede laat zien, bederft het uiteindelijk je hele leven. Hij roept zijn discipelen dan ook onomwonden op om op dit punt te kiezen: “Je kunt niet God dienen en ook voor de mammon leven”, zo zegt Hij. Volgens Keynes proberen mensen hun welvaart te verhogen als middel tot een verder-gelegen doel, namelijk een goed leven te hebben. De Skidelky’s zeggen dat daar de cruciale “vergissing” van Keynes lag. Hij had wel gelijk, maar de mens ontaardde in onnatuurlijk gedrag. “They found their souls in the shopping!” aldus vader Skidelsky.

Halfslachtig antwoord

Het antwoord van Keynes was overigens een wat halfslachtig antwoord. Hij stelde dat in de toekomst, over honderd jaar, de zaken anders zouden zijn en het economisch probleem in zekere zin definitief zou zijn opgelost. We zouden genoeg hebben, minder gaan werken en meer gaan genieten (hij dacht daarin precies zoals de oude Grieken). Het grote probleem van de mens zou dan zijn hoe hij zijn vrije tijd goed zou besteden en echt gelukkig zou kunnen zijn. Maar tot het zover zou zijn, tot circa 2030, moeten hebzucht en woeker nog onze goden zijn, want alleen zij kunnen ons uit de tunnel van de economische noodzaak naar het wenkende daglicht leiden. In feite leek hij daarin op Goethe’s Faust, die zijn ziel verkocht aan de duivel met als afspraak dat deze hem alles zou geven wat hij hebben wilde, met ergens de hoop dat hij op het laatste moment aan de wurggreep van het serpent zou kunnen ontsnappen.

Die halfslachtigheid en dat compromis met als doel van twee walletjes te kunnen eten is niet alleen kenmerkend voor Keynes en vele goedwillende medeburgers en politici. Er is ook veel halfslachtigheid bij christenen. Veel te weinig wordt ingezien dat zich juist op het terrein van de economie een van de kernpunten van het belijden voordoet, waarin keuzes worden gevraagd en christenen, allereerst persoonlijk en ook via de christelijke politieke partijen, zich vandaag moeten uitspreken.

In Zijn voetspoor

Charles Sheldon heeft een schitterend boekje geschreven met als titel ‘In zijn voetspoor; Wat zou Jezus doen?’ Het boek gaat over een dominee uit Raymond, Maxwell, die na een schokkende ervaring met een zwerver ontdekt dat zijn preken niet overeenstemmen met zijn dagelijks leven. Hij en een kleine groep uit zijn kerk, waaronder Norman, de eigenaar van de krant, besluiten om te proberen gedurende een jaar lang niets anders te doen dan wat Jezus in een bepaalde situatie zou doen. Dat treft ook de economie van het stadje. De hoofdredacteur gaat bepaalde advertenties weigeren. Later schaft Norman de zondagseditie af en lijkt een faillissement onvermijdelijk. Maar de keerzijde is er ook. De ondernemers komen met goede producten en diensten die mensen echt helpen. Werkgevers en werknemers vormen een gemeenschap. Er zijn zakenlieden die enorme bedragen verliezen, maar er komen juist nu hele nieuwe dingen tot stand. De creativiteit en het nieuwe ondernemerschap zijn letterlijk hartverwarmend. Het geloof verdiept zich en de gemeenteleden wordt herkend als volgelingen van Christus, net zoals destijds in Antiochië het geval was (zie Handelingen 11, 2).

Sheldon’s verhaal is fictie, maar hij illustreert op een boeiende manier hoe christenen in de gemeente en in de wereld weer zout en licht kunnen zijn. Is er dan een economische blauwdruk verkrijgbaar om te volgen? Nee, die is er niet. Je ontkomt nooit aan een eigen antwoord op de vraag “Wat zou Jezus doen?”. Er zijn wel richtlijnen, bijvoorbeeld die over de op de Bijbel geïnspireerde relationele economie van Mills en Schluter, uitgebracht bij het Engelse Jubilee Center en de European Christian Political Foundation (ECPF).

Misschien nog wel inspirerender dan boeken zijn personen die dit proberen in de praktijk te brengen en met eigen experimenten komen. Een platform als dat van de CBMC kan als een soort C-gilde een rol spelen waarin ondernemers elkaar kunnen ontmoeten, ervaringen kunnen delen en zich laten bemoedigen en opbouwen om hun plek in economie en cultuur coram Deo in te nemen.

Conclusie

De huidige crisis vormt een serieuze test voor het neoliberalisme en laat zien dat onze economie op een verkeerd geloof is gefundeerd. Christenen dienen hun tijd goed te verstaan en moeten niet meegaan in de zucht om wereld en weelde te winnen. Weber zat er naast met zijn stelling over de vermeende relatie tussen calvinisme en kapitalisme. De economie wordt gedreven door een heel ander geloof, namelijk het neoliberale. In naam van het neoliberalisme worden echter misleidende waarheden en zure crisisrecepten verkondigd.

De huidige crisis vormt een serieuze test voor het neoliberalisme en laat zien dat onze economie op een verkeerd geloof is gefundeerd

Intussen is de vraag hoe het christelijk geloof dan wel werkzaam kan zijn in het economisch leven, te lang open gebleven. Op dat punt worden vandaag nieuwe keuzes gevraagd en is er grote behoefte aan christelijk leiderschap en authentiek gedrag dat het leven van de Meester weerspiegeld.

Het zou een misverstand zijn te denken dat de Bijbel tegen de economie is. Integendeel, ook in het economisch leven ligt een christelijke opdracht. Juist daarom is het zo erg als de economie “voor de Mammon in ‘t stof ligt neergebogen” (Kuyper). Christenen worden als werknemers, ondernemers en consumenten uitgedaagd om op die roeping in geloof en met creativiteit antwoord te geven.

In het economisch model zoals dat in de Bijbel wordt geschetst, valt op dat relaties een belangrijke rol spelen. Allereerst betreft dat de relatie met God. In het manna dat het volk Israël in de economische grenssituatie van de woestijn ontving werd duidelijk dat het dagelijks bestaan God ter harte gaat. Hij zorgde en gaf genoeg, maar niet iedereen had daar ook genoeg aan. En ook de sabbat kadert het economisch leven in en brengt het in relatie tot God als hoogste doel. Niet minder belangrijk waren de relaties met elkaar, van de rijke met de arme, van de vrije met de slaaf, van degene die moest lenen met degene die uitleent. Bijbels gezien gaat de (goede) relatie voor op de prestatie (maximale economische groei).

Zo’n economie van geloof en genoeg betekent niet dat er geen pijnlijke keuzes zullen moeten worden gemaakt. Allereerst betreft dat kiezen de levensoriëntatie en het persoonlijke leven, maar vervolgens ook beroep, werk en de business. En zoals de Bijbel ook laat zien is er ook een politieke opgave. Een goede economie vraagt om goede en ondersteunende instituties (de bijbel spreekt bijvoorbeeld over de afbakening van de werkweek en het met de grote verzoendag publiek uitroepen van het Jubeljaar op de ramshoorn). Zonder een goede economische orde, waarin verantwoordelijkheden en belangen worden gebalanceerd, rekening wordt gehouden met een duurzame wijze van produceren en consumeren en er sprake is van zorg en solidariteit met elkaar komt het met de economie niet in orde.

Door: Dr. Ir. Roel Jongeneel, universitair docent economie aan Wageningen Universiteit in Wageningen en hoofd van de sectie Landbouwbeleid bij het LEI-WUR in den Haag.